ECLI:NL:CRVB:2017:3387
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.M.G. Hink
- M. ter Brugge
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden
Appellante ontving sinds 2008 bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een fraudemelding werd onderzocht of zij sinds november 2013 werkzaamheden verrichtte voor de eenmanszaak van haar partner, zonder dit te melden. Het college trok de bijstand met ingang van november 2013 in en vorderde €8.221,27 terug.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij slechts kleine vertaalwerkzaamheden had verricht zonder inkomsten, maar de Raad oordeelde dat het verrichten van op geld waardeerbare arbeid ook zonder daadwerkelijke inkomsten relevant is voor de bijstand.
Appellante had verschillende werkzaamheden verricht, waaronder vertalingen, relatiebeheer en acquisitie, en had geen melding gemaakt. Omdat zij de inlichtingenverplichting schond en niet aannemelijk maakte dat zij recht had op bijstand, was intrekking en terugvordering terecht.
Appellante voerde nog aan dat terugvordering onevenredig was vanwege haar financiële situatie, maar de Raad stelde dat het intrekken en terugvorderen verplicht is. Ook het beroep op dringende redenen faalde omdat zij onvoldoende aannemelijk maakte dat bijzondere omstandigheden aanwezig waren.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.