ECLI:NL:CRVB:2017:3442

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 oktober 2017
Publicatiedatum
9 oktober 2017
Zaaknummer
16/3313 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 475c RvArt. 475d RvArt. 475e RvRegeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling juiste vaststelling aflossingscapaciteit door UWV bij terugvordering onverschuldigde uitkeringen

Appellant werd geconfronteerd met terugvordering van onverschuldigde uitkeringen op grond van de Werkloosheidswet en de Ziektewet. Het UWV stelde de aflossingscapaciteit vast op €1.264,80 per maand, met een tijdelijke verlaging naar €912,58. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat de aflossingscapaciteit te hoog was, mede omdat het UWV geen rekening hield met andere schulden en bepaalde kosten die hij niet had opgegeven.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het tweede besluit af. De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht geen rekening hield met concurrente schulden omdat de schuld aan het UWV preferent is en dat een beslagvrije voet van 95% werd gehanteerd, wat ruimer is dan de wettelijke 90%.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad stelde vast dat het UWV de aflossingscapaciteit correct had berekend conform de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen en de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Kosten zoals voeding, kleding, opticien en tandarts behoren tot de normale bestaanskosten en worden niet apart in aanmerking genomen omdat deze via de beslagvrije voet worden gedekt.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de aflossingscapaciteit juist heeft vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

16/3313 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
7 april 2016, 15/2212 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 4 oktober 2017
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2017. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij de uitspraak van de Raad van 11 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV0538, zijn de besluiten van het Uwv, waarbij van appellant een bedrag van € 26.046,54 aan onverschuldigd betaalde uitkering op grond van de Werkloosheidswet en een bedrag van
€ 34.675,48 aan onverschuldigd betaalde uitkering op grond van de Ziektewet wordt teruggevorderd, in rechte onaantastbaar geworden.
1.2.
Bij besluit van 8 oktober 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat de aflossingscapaciteit van appellant € 1.264,80 per maand bedraagt en dat appellant dit volledige bedrag aan aflossingscapaciteit per maand aan het Uwv dient te betalen ter aflossing van zijn schuld. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij besluit van 14 oktober 2014 heeft het Uwv besloten dat appellant, bij wijze van tijdelijke uitzondering, in de periode van november 2014 tot en met april 2015 een bedrag van € 912,58 per maand aan het Uwv dient te betalen ter aflossing van zijn schuld. Per 1 mei 2015 dient appellant weer € 1.264,80 per maand aan het Uwv af te lossen.
2.1.
Bij beslissing op bezwaar van 13 maart 2015 (bestreden besluit 1) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 oktober 2014 ongegrond verklaard.
2.2.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Hangende dit beroep heeft het Uwv op 22 mei 2015 (bestreden besluit 2) een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant mede gericht geacht tegen het besluit van
14 oktober 2014. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 oktober 2014 is alsnog gegrond verklaard en het besluit van 8 oktober 2014 is herroepen, in die zin dat de aflossingscapaciteit voor de periode van 30 november 2014 tot en met 30 april 2015 wordt vastgesteld op € 912,58 per maand en vanaf 1 mei 2015 op € 1.264,80 per maand. Het bezwaar tegen het besluit van 14 oktober 2014 is ongegrond verklaard. Met bestreden besluit 2 is niet volledig aan het bezwaar van appellant tegemoetgekomen, omdat de aflossingscapaciteit volgens appellant nog steeds te hoog is vastgesteld. Volgens appellant kan hij maximaal een bedrag van € 400,- per maand aan het Uwv betalen.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1
niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van dat besluit. Daarbij is het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. De rechtbank heeft het standpunt van appellant, dat het Uwv bij het vaststellen van de aflossingscapaciteit ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de andere schulden die appellant nog moet aflossen, niet gevolgd. Het Uwv heeft deze schulden naar het oordeel van de rechtbank terecht buiten beschouwing gelaten, omdat het concurrente schulden zijn en de schuld van appellant aan het Uwv een preferente schuld betreft. Er is geen sprake van een onredelijke uitkomst in het specifieke geval van appellant, nu het Uwv een beslagvrije voet heeft gehanteerd van 95% in plaats van 90%.
4.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij het door het Uwv berekende maandelijkse aflossingsbedrag onmogelijk kan voldoen. Appellant heeft verwezen naar een actuele opgave van zijn vaste lasten. Appellant had bij zijn eerdere opgave van 13 december 2014 aan het Uwv meerdere kosten zoals kosten voor voeding, kleding, opticien en tandarts niet vermeld.
4.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen besluit 2, waarbij de aflossingscapaciteit voor de periode van 30 november 2014 tot en met 30 april 2015 is vastgesteld op een bedrag van € 912,58 per maand en per 1 mei 2015 op een bedrag van € 1.264,80 per maand.
5.2.
In geschil is de vraag of het Uwv deze aflossingscapaciteit juist heeft vastgesteld.
5.3.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder q, van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen (Stcrt 2009, nr. 117, de Regeling) wordt onder aflossingscapaciteit verstaan: het deel van het inkomen van de schuldenaar dat met inachtneming van de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), kan worden aangewend voor betaling of verrekening van de vordering.
5.4.
Appellant heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Volstaan kan daarom worden te verwijzen naar de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt toegevoegd dat het Uwv bij bestreden besluit 2 de aflossingscapaciteit van appellant heeft vastgesteld conform de Regeling en met toepassing van de artikelen 475c tot en met 475e van Rv. Het Uwv heeft bij de berekening van de aflossingscapaciteit ten gunste van appellant rekening gehouden met een beslagvrije voet van 95%. Ook heeft het Uwv de beslagvrije voet verhoogd met de premie voor een ziektekostenverzekering en met een bedrag aan woonlasten. Dat appellant bij zijn opgave aan het Uwv meerdere kosten, zoals kosten voor voeding, kleding, de opticien en de tandarts niet had vermeld, kan niet tot het oordeel leiden dat de aflossingscapaciteit onjuist is vastgesteld. Deze kosten behoren tot de normale bestaanskosten, waarmee bij de berekening van de aflossingscapaciteit geen rekening wordt gehouden, omdat ter voldoening hiervan de beslagvrije voet is vastgesteld.
5.5.
Gelet op wat is overwogen in 5.1 tot en met 5.4 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.
6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2017.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) B. Dogan

AB