ECLI:NL:CRVB:2017:3468
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens immateriële schade na onrechtmatige intrekking bijstand
Appellante had bijstand ontvangen die het college van burgemeester en wethouders van Weert later introk en terugvorderde wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding. De Raad had eerder geoordeeld dat het college niet bevoegd was tot deze intrekking en terugvordering, waardoor het besluit werd herroepen.
Appellante vorderde vervolgens een schadevergoeding voor immateriële schade en kosten van het aanvragen van een verklaring omtrent gedrag. Het college wees dit verzoek af omdat niet was aangetoond dat sprake was van geestelijk letsel in de zin van artikel 6:106 BW Pro. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat psychisch onbehagen en gekwetst voelen onvoldoende zijn voor vergoeding.
In hoger beroep stelde appellante dat de stress en emotionele schade wel degelijk ernstig waren, mede onderbouwd met een verklaring mede ondertekend door haar huisarts. De Raad oordeelde dat de verklaring onvoldoende inzicht gaf in de aard en omvang van de klachten en dat het verzoek om vergoeding van kosten voor de verklaring omtrent gedrag niet kon worden toegerekend aan het college.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens immateriële schade en kosten van verklaring omtrent gedrag wordt afgewezen.