ECLI:NL:CRVB:2014:3348
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn bij bijstandsuitkering
Appellant vroeg bijstand aan met ingang van januari 2005, maar het college kende deze pas toe vanaf september 2005. Na bezwaar en beroep werd het besluit herroepen en bijstand alsnog met terugwerkende kracht toegekend. Appellant verzocht vervolgens om vergoeding van materiële en immateriële schade wegens de vertraging.
De rechtbank wees het verzoek tot schadevergoeding af, maar appellant ging in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de materiële schade niet aannemelijk was gemaakt, omdat appellant niet kon aantonen dat het mislopen van financiële voordelen direct voortvloeide uit het ontbreken van de bijstandsstatus. Ook de ziektekosten konden niet als gevolg van het onrechtmatige besluit worden toegerekend.
Voor immateriële schade stelde appellant dat hij psychisch letsel had geleden door de vertraging. De Raad oordeelde dat dit niet voldoende was aangetoond als ernstige inbreuk op persoonlijke levenssfeer. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van de procedure met twee maanden was overschreden, wat recht gaf op een vergoeding van €500.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het de immateriële schadevergoeding betrof en veroordeelde het college tot betaling van €500 aan appellant, alsmede tot vergoeding van proceskosten van in totaal €2.922.
Uitkomst: Appellant krijgt €500 immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn; materiële schadevergoeding wordt afgewezen.