ECLI:NL:CRVB:2017:3597
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende aannemelijkheid bijstandbehoevendheid
Appellanten hebben op 22 juni 2015 een aanvraag om bijstand ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek. Na een eerste buitenbehandelingstelling wegens ontbrekende gegevens, is de aanvraag alsnog in behandeling genomen. Uit onderzoek bleek dat in de periode april tot juni 2015 aanzienlijke kasstortingen op de bankrekening van appellant zijn gedaan, die het toepasselijke bijstandsniveau overstegen.
Het college wees de aanvraag af omdat appellanten niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden. Appellanten voerden aan dat zij leefden van het arbeidsinkomen en spaargeld van hun zoon, maar konden dit niet met controleerbare gegevens onderbouwen. De Raad oordeelde dat hierdoor niet vast te stellen was of appellanten recht hadden op bijstand.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad benadrukte dat de bewijslast van bijstandbehoevendheid bij de aanvrager ligt en dat het college bevoegd is om gegevens over de financiële situatie voorafgaand aan de aanvraagperiode op te vragen.
De Raad wees ook het verweer af dat de financiële situatie bij de aanvraag in juni en de latere toekenning in december 2015 identiek zou zijn, omdat dit niet met stukken was onderbouwd. De afwijzing van de aanvraag werd daarmee gehandhaafd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren.