ECLI:NL:CRVB:2017:3620
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- E.E.V. Lenos
- M.A.H. van Dalen-van Bekkum
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing kinderbijslag over periode vóór derde kwartaal 2009 wegens ontbreken nieuw feit
Appellante ontving kinderbijslag voor haar kind, dat in 2006 naar Israël verhuisde terwijl zij in Nederland bleef wonen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde de kinderbijslag per het derde kwartaal van 2006 op grond van het toepasselijke verdrag met Israël. Appellante diende in 2014 een verzoek in tot voortzetting van de kinderbijslag vanaf 1 juli 2006, dat werd afgewezen.
De Svb beriep zich op artikel 14, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), dat het recht op kinderbijslag niet eerder laat ingaan dan één jaar voorafgaand aan de aanvraag, met een beleidsmatige terugwerkende kracht van maximaal vijf jaar in bijzondere gevallen. Dit leidde ertoe dat het recht op kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2009 werd beoordeeld, maar omdat het kind toen al 18 jaar was, bestond geen aanspraak meer.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat geen nieuw feit of gewijzigde omstandigheid was aangevoerd. In hoger beroep stelde appellante dat haar medische situatie en het tijdelijke karakter van het verblijf van het kind in Israël bijzondere omstandigheden vormden. De Raad oordeelde echter dat de Svb terecht de terugwerkende kracht van vijf jaar toepaste en dat geen bijzondere omstandigheden waren gebleken die een afwijking rechtvaardigen.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 20 oktober 2017.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van kinderbijslag over de periode vóór het derde kwartaal van 2009 wordt bevestigd.