ECLI:NL:CRVB:2017:3640
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op WGA-vervolguitkering bij arbeidsongeschiktheid en aangepaste functionele mogelijkhedenlijst
Appellante was werkzaam als medewerkster thuiszorg en meldde zich ziek tijdens haar zwangerschap in 2011 vanwege lichamelijke en psychische klachten. Na verschillende uitkeringen en onderzoeken stelde het UWV vast dat zij recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering met een mate van arbeidsongeschiktheid van 72,72%, later bijgesteld naar 37,40%. Vervolgens werd een WGA-vervolguitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 35-45%, later aangepast naar 29,14% na bezwaar en beroep.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit van het UWV ongegrond, omdat zij onvoldoende medische onderbouwing leverde voor volledige arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de functionele mogelijkhedenlijst (FML) aangepast en de arbeidsdeskundige had passende functies geselecteerd. Appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen werden onderschat en verwees naar rapporten van haar verzekeringsarts, die stelde dat zij werk moest kunnen doen met routine en een vertrouwd sociaal netwerk.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de FML van 19 augustus 2015 voldoende rekening hield met de beperkingen van appellante en dat verzekeringsgeneeskundige protocollen slechts hulpmiddelen zijn zonder dwingend karakter. Het terugvallen op routine en een vertrouwd sociaal netwerk is vooral relevant voor re-integratie in het eigen werk en niet voor het verrichten van andere passende werkzaamheden. De geselecteerde functies zijn medisch passend en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht meer op een WGA-vervolguitkering omdat haar beperkingen voldoende zijn verwerkt in de aangepaste functionele mogelijkhedenlijst en de geselecteerde functies medisch passend zijn.