Uitspraak
16.3637 PW
.Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg bijstand aan en kreeg verplichtingen opgelegd, waaronder inschrijving bij minimaal drie uitzendbureaus. Het college verlaagde de bijstand met 100% voor een maand omdat appellant hieraan niet voldeed. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hem geen verwijt treft vanwege het ontbreken van een curriculum vitae (cv) en beperkte ervaring in Nederland. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat het ontbreken van een cv het niet inschrijven rechtvaardigde en dat hij onvoldoende pogingen had gedaan.
De Raad besprak het begrip dringende redenen in artikel 18 lid 10 PW Pro en concludeerde dat het college zijn beoordelingsvrijheid had overschreden door de motivering te beperken, maar dat dit gebrek kon worden gepasseerd omdat appellant geen dringende redenen aannemelijk had gemaakt. Ook de inkeerregeling werd niet toegepast omdat appellant niet ondubbelzinnig had bewezen dat hij na oplegging van de maatregel alsnog aan zijn verplichtingen voldeed.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant. De uitspraak benadrukt het belang van individuele beoordeling van dringende redenen en de bewijslast bij de belanghebbende voor het ontbreken van verwijtbaarheid.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 100% voor een maand wordt bevestigd vanwege het niet inschrijven bij uitzendbureaus zonder dringende redenen.