ECLI:NL:CRVB:2017:369
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand na verklaring appellant geen bijstand meer te willen
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam stelde een onderzoek in naar de rechtmatigheid van de bijstandverlening en constateerde dat appellant mogelijk niet woonachtig was op het opgegeven adres. Tijdens een gesprek op 24 maart 2014 verklaarde appellant geen vast woonadres te hebben en wenste hij per 1 april 2014 af te zien van bijstand. Hij ondertekende een formulier voor beëindiging van de uitkering.
Het college trok bij besluit van 17 april 2014 de bijstand met ingang van 1 april 2014 in, en handhaafde dit besluit na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat zijn verklaring niet rechtsgeldig was vanwege vermeende druk en onzorgvuldigheden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat van een ondertekende verklaring tegenover een sociaal rechercheur mag worden uitgegaan dat deze juist is, ook bij latere intrekking. Er was geen sprake van ontoelaatbare druk tijdens het gesprek. Appellant was geïnformeerd over de mogelijke gevolgen van zijn keuze en heeft bewust besloten de bijstand te beëindigen. Ook was er geen sprake van onzorgvuldige besluitvorming, aangezien appellant na ondertekening nogmaals werd benaderd en bevestigde bij zijn intrekking te blijven. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand per 1 april 2014 wordt bevestigd omdat appellant aan zijn schriftelijke verklaring kan worden gehouden.