ECLI:NL:CRVB:2017:3752
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging OV-schuld wegens niet tijdig stopzetten reisproduct na studiebeëindiging
Appellante beëindigde haar studie per 31 januari 2016 en meldde dit aan de minister. De minister herzag daarop het recht op studiefinanciering en stelde een OV-schuld van €97 vast wegens het niet tijdig stopzetten van het reisproduct op haar OV-chipkaart.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat zij in de periode van 1 tot en met 5 februari 2016 zelf niet in staat was het reisproduct stop te zetten, en dat de wet niet vereist dat een derde dit moet doen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat het redelijkerwijs mogelijk was dat iemand anders het reisproduct stopzette.
In hoger beroep handhaafde de Raad deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de wet dwingend voorschrijft dat bij het ten onrechte beschikken over een reisproduct een vast bedrag verschuldigd is, ongeacht gebruik. Bovendien is volgens vaste rechtspraak vereist dat aannemelijk wordt gemaakt dat het onmogelijk was om het reisproduct zelf én door een derde tijdig te laten stopzetten, wat appellante niet had gedaan.
De Raad bevestigde daarom de OV-schuld en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de OV-schuld van €97 wegens niet tijdig stopzetten van het reisproduct.