Appellant vroeg op 21 augustus 2013 een Wajong-uitkering aan, welke door het UWV werd afgewezen omdat hij niet voldeed aan de inkomenseis. Na bezwaar en beroep werd de aanvraag opnieuw beoordeeld. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond maar liet de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. In hoger beroep betoogde appellant dat hij vanaf 11 december 2013 volledig arbeidsongeschikt was, onderbouwd met medische rapporten waaronder een brief van psychiater Vermeulen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat er geen substantiële wijzigingen in de medische situatie zijn geweest tussen 11 december 2013 en 1 juli 2014. De verzekeringsarts stelde dat appellant reeds langere tijd geen benutbare mogelijkheden had. De Raad volgt de rechtbank niet in diens oordeel dat appellant op 11 december 2013 niet volledig arbeidsongeschikt was. De psychiater bevestigt dat door complexe psychiatrische problematiek en psychosociale problemen arbeid verrichten voor appellant illusoir is.
De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt dat appellant over de periode van 11 december 2013 tot 19 december 2014 recht heeft op een Wajong-uitkering. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant in hoger beroep.