Uitspraak
16.3030 PW, 17/6139 PW
13 april 2016, 15/5912 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en beschikte over twee bankrekeningen op zijn naam, waarvan één werd gebruikt door zijn broer B en de andere waarop salaris van een andere broer D werd gestort. Het college stelde op basis van een rechtmatigheidsonderzoek vast dat bijschrijvingen op deze rekeningen als middelen van appellant moesten worden aangemerkt, wat leidde tot herziening en terugvordering van de bijstand.
De rechtbank oordeelde dat een storting van €1.000,- op de ING-rekening niet aan appellant ter beschikking stond en vernietigde het besluit voor die periode. Het college nam een nader besluit waarin het deze storting en enkele andere bedragen niet meer meenam in de terugvordering. Appellant voerde aan dat hij geen beschikking had over de rekeningen en beriep zich op het vertrouwensbeginsel.
De Raad oordeelde dat het enkele feit dat de rekeningen op naam van appellant stonden, het saldo als zijn vermogen doet gelden, tenzij tegenbewijs wordt geleverd. De schriftelijke verklaringen van de broers waren onvoldoende om aan te tonen dat appellant niet over de middelen kon beschikken. Ook ontbraken ondubbelzinnige toezeggingen van het college die het vertrouwensbeginsel zouden rechtvaardigen.
Daarom werd het hoger beroep van appellant ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Het beroep tegen het nader besluit werd eveneens ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van bijstand bevestigd.