ECLI:NL:CRVB:2017:3864
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- M. Hillen
- J.H.M. van de Ven
- Rechtspraak.nl
Herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding na echtscheiding
Appellante ontving sinds 2003 een AOW-pensioen voor ongehuwden. Na melding dat haar ex-echtgenoot sinds 2009 weer bij haar woonde, stelde de Sociale Verzekeringsbank (Svb) een onderzoek in. Hoewel B aanvankelijk tijdelijk verbleef, bleek hij langdurig een kamer te huren in haar woning. De Svb herzag daarom in 2015 het pensioen naar het gehuwdenpensioen op basis van het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding.
Appellante betwistte dit besluit en voerde onder meer aan dat de Svb-medewerkers niet bevoegd waren, zij onder druk was gezet, en dat een wetswijziging geen terugwerkende kracht mocht hebben. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het feit dat zij en B samenwoonden en twee kinderen hadden, het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding rechtvaardigde. De bezwaren over het onderzoek en het huisbezoek werden verworpen. Ook werd rekening gehouden met het vertrouwen dat appellante had door eerdere communicatie van de Svb. De herziening van het pensioen werd daarmee bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van het AOW-pensioen naar gehuwdenpensioen wegens het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding.