Uitspraak
24 februari 2017, 16/6146 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als militair aan boord van Zijner Majesteits Friesland, werd beoordeeld op zijn functioneren over de periode van 2014 tot 2016. Na meerdere functioneringsgesprekken, waaronder een eindgesprek op 11 maart 2015 en een gesprek op 3 april 2015, werd een beoordeling met het oordeel 'onvoldoende' vastgesteld. Appellant voerde aan dat hij te laat met verbeterpunten werd geconfronteerd en onvoldoende gelegenheid had om zijn functioneren te verbeteren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant vanaf het begin van de beoordelingsperiode voldoende duidelijk had kunnen zijn waar zijn functioneren tekortschiet. Het feit dat een van de gesprekken werd gehouden door iemand die niet de functionele chef was, deed hieraan niet af. Het functioneringsgesprek van 17 december 2015 was in lijn met eerdere gesprekken, waardoor er geen reden was om af te zien van het opmaken van de beoordeling.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit van de commandant en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt de geldigheid van de beoordelingsprocedure en het oordeel over het functioneren van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel 'onvoldoende' en wijst het hoger beroep af.