ECLI:NL:CRVB:2019:2131
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling functioneren militair volgens AMAR niet onrechtmatig verklaard
Appellant, werkzaam bij het Ministerie van Defensie, werd beoordeeld over de periode 1 juni 2015 tot 13 januari 2016. De beoordeling werd opgesteld en vastgesteld volgens artikel 28b van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement (AMAR). Appellant voerde aan dat het functioneringsgesprek te laat plaatsvond en dat hij onvoldoende mogelijkheden had om zich te verbeteren.
De Raad oordeelde dat ondanks het late functioneringsgesprek appellant voldoende gelegenheid had om zijn functioneren te verbeteren, mede doordat eerdere gesprekken en voortdurende aanspreekmomenten hem duidelijk maakten waaraan hij moest werken. De beoordeling berustte uitsluitend op feiten uit de beoordelingsperiode.
Appellant stelde ook dat de beoordeling onjuist was en dat de beoordelaars zich geen goed beeld konden vormen van zijn functioneren. De Raad stelde vast dat alle negatieve oordelen waren onderbouwd met concrete feiten en dat de beoordelaars voldoende contact hadden met appellant om een gefundeerd oordeel te vormen.
De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beoordeling van appellant blijft gehandhaafd.