ECLI:NL:CRVB:2017:3940
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als financieel medewerkster, meldde zich in 2012 ziek met psychische klachten en vroeg in 2014 een WIA-uitkering aan. Een verzekeringsarts stelde toen een arbeidsongeschiktheid van 11,33% vast, onvoldoende voor een WIA-uitkering. Na nieuwe klachten en herbeoordelingen werd zij per 13 juli 2015 geschikt geacht voor de eerder geselecteerde WIA-functies.
Het Uwv weigerde daarom de ziekengelduitkering en verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de verzekeringsartsen de beperkingen van appellante op een overtuigende wijze hadden beoordeeld.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt en vroeg om inschakeling van een neuroloog, gesteund op nieuw medisch bewijs. De Raad volgde dit niet, omdat de nieuwe informatie na de datum in geding lag en de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische gegevens adequaat had beoordeeld.
De Raad concludeerde dat appellante vanaf 13 juli 2015 geschikt is voor de WIA-functies en dus geen recht heeft op ziekengeld. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen; appellante is vanaf 13 juli 2015 geschikt voor WIA-functies en heeft geen recht op ziekengeld.