ECLI:NL:CRVB:2017:396
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding niet aannemelijk voor gehele periode
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, maar het college stelde na onderzoek dat zij vanaf 1 april 2013 een gezamenlijke huishouding voerde met B, wat niet was gemeld. Op basis hiervan werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het college onvoldoende bewijs heeft geleverd dat B vanaf 1 april 2013 zijn hoofdverblijf bij appellante had. Wel is vastgesteld dat vanaf oktober 2013 sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De Raad vernietigt het besluit voor de periode 1 april 2013 tot en met 30 september 2013 en herroept het intrekkingsbesluit voor die periode. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen over de terugvordering voor de periode vanaf oktober 2013. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en wettelijke rente over onterecht teruggevorderde bedragen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot intrekking en terugvordering over 1 april 2013 tot en met 30 september 2013 wordt vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen voor de periode vanaf oktober 2013.