ECLI:NL:CRVB:2017:3965
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op IVA-uitkering bij arbeidsongeschiktheid na ongeval
Appellant, voormalig senior projectmanager, meldde zich ziek na een auto-ongeval met fysieke en cognitieve klachten. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe met 83% arbeidsongeschiktheid, maar weigerde een IVA-uitkering wegens onvoldoende bewijs van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen niet werden onderschat. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige hadden gemotiveerd dat appellant geschikt was voor de geselecteerde functies.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn mentale en vermoeidheidsklachten hem belemmeren om meer dan zes uur per dag te werken en dat de functies onvoldoende rekening houden met zijn beperkingen. De Raad oordeelde echter dat de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige voldoende onderbouwd hadden dat appellant niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4 Wet Pro WIA.
De Raad bevestigde dat de beperkingen van appellant weliswaar blijvend zijn, maar dat er geen medische grond is voor een IVA-uitkering. De beperkte verbetering van belastbaarheid werd als relevant beoordeeld en de geselecteerde functies als passend. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een IVA-uitkering wegens onvoldoende bewijs van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.