Uitspraak
OVERWEGINGEN
30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet na ziekmelding wegens chronische rugpijn en psychische klachten. Na een eerstejaarsbeoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige werd vastgesteld dat zij haar oorspronkelijke functie niet meer kon uitoefenen, maar dat zij geschikt was voor andere functies waarmee zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen.
Het UWV beëindigde daarom haar ziekengelduitkering, wat door appellante werd aangevochten met het argument dat haar psychische beperkingen onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank verklaarde haar beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.
De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende onderbouwd waren en dat de geselecteerde functies medisch passend waren, mede omdat deze functies routinematig zijn en weinig stress en klantcontact vereisen. Appellante overlegde geen nieuwe medische stukken die tot een ander oordeel konden leiden.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen en dat de beëindiging van de Ziektewetuitkering daarom rechtmatig is. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd wegens voldoende belastbaarheid voor andere functies.