Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen, met een verklaring dat haar zoons tijdens haar detentie schade aanrichtten in haar woning. Het Drechtstedenbestuur wees de aanvraag af omdat de kosten onder de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten vallen en niet uit bijzondere omstandigheden voortvloeien.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij de verklaring van appellante als voldoende achtte om de afwijzing te rechtvaardigen. In hoger beroep stelde appellante dat haar verklaring onjuist was en dat slechts vier deuren beschadigd waren, en dat de detentie een bijzondere omstandigheid vormde.
De Raad oordeelde dat de primaire grondslag van het Drechtstedenbestuur niet standhoudt omdat de verklaring niet gespecificeerd was en appellante had toegelicht dat niet alle kosten schadegerelateerd waren. De subsidiaire grondslag dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, werd echter bevestigd. Appellante hield haar woning en inboedel tijdens detentie aan en keerde terug, waardoor geen onvoorziene kosten ontstonden.
De Raad verwijst naar vaste rechtspraak dat het ontbreken van reserveringsruimte door schulden geen bijzondere omstandigheid is. De afwijzing van bijzondere bijstand wordt bevestigd, maar het Drechtstedenbestuur wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor woninginrichting wordt bevestigd, met veroordeling van het bestuursorgaan in proceskosten.