Uitspraak
30 juni 2016, 16/627 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als ambtenaar bij de politie, verzocht om heroverweging van een besluit waarbij zijn verzoek tot bevordering was afgewezen. De korpschef had dit verzoek afgewezen omdat het eerdere besluit in rechte vaststond en appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd.
De Raad oordeelde dat het mandaat voor het bestreden besluit correct was toegekend en dat er geen strijd was met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tevens werd geoordeeld dat de korpschef terecht het verzoek om terug te komen van het eerdere besluit had afgewezen omdat de aangevoerde stukken geen nieuwe feiten of omstandigheden vormden.
Appellant voerde verder aan dat niet alle stukken voorafgaand aan de hoorzitting ter inzage waren gelegd, maar dit werd verworpen omdat het geschil zag op het heroverwegingsverzoek en niet op de eerdere procedure. De Raad vond geen aanleiding om het bestreden besluit evident onredelijk te achten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Overijssel.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit wordt bevestigd.