Appellanten, werkzaam als generalist Gebiedsgebonden Politie (GGP), verzochten bevordering naar senior GGP. Hun beoordelingen voldeden niet aan de eis van 'boven de norm' functioneren, wat vereist is voor bevordering volgens het loopbaanbeleid van de politie. De korpschef wees de verzoeken af, wat door appellanten werd bestreden.
De rechtbank vernietigde de afwijzingen wegens procedurele tekortkomingen, maar handhaafde de rechtsgevolgen. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de beoordelingsgesprekken binnen de wettelijke termijnen zijn gevoerd en dat de beoordelingssystematiek van het korps rechtsgeldig is vastgesteld met instemming van de ondernemingsraad.
De Raad bevestigt dat geen toekomstverwachtingen hoeven te worden opgenomen bij beoordelingen die niet boven de norm zijn. De afwijzing van de bevorderingsverzoeken is daarmee terecht. Wel oordeelt de Raad dat de redelijke termijn in de beroepsprocedure is overschreden, waardoor de schadevergoeding aan appellanten wordt verhoogd van €500 naar €1000, verdeeld tussen de korpschef en de Staat der Nederlanden.
De Raad veroordeelt beide partijen tot betaling van proceskosten en bepaalt dat het betaalde griffierecht aan appellanten wordt terugbetaald. De overige aangevallen uitspraken blijven in stand.