ECLI:NL:CRVB:2017:3982
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van ziekengeld in mindering op aansluitende uitkering na wijziging WW en AIB
Appellant, voormalig ambtenaar, was arbeidsongeschikt en ontving ziekengeld en een aansluitende WW-uitkering. Na beëindiging van de WW-uitkering werd een aanvullende bovenwettelijke uitkering toegekend. De minister bracht het ontvangen ziekengeld in mindering op de aansluitende uitkering, wat appellant betwistte.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat hoewel de letterlijke tekst van de gewijzigde artikel 34 WW Pro en artikel 3:5 AIB Pro suggereert dat ziekengeld niet onder inkomen valt, dit een omissie van de wetgever is. De bedoeling was geen materiële wijziging te bewerkstelligen, en het uitgangspunt blijft dat inkomensverlies niet dubbel gecompenseerd mag worden.
De Raad concludeerde dat ziekengeld onder het begrip inkomen valt en derhalve in mindering moet worden gebracht op de aansluitende uitkering. Het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en ziekengeld wordt in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.