ECLI:NL:CRVB:2017:3983
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek oorlogsgeweld Wubo wegens onvoldoende nieuwe feiten
Appellant, geboren in 1941, heeft in 1999 een aanvraag ingediend op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), welke is afgewezen vanwege onvoldoende bewijs van oorlogsgeweld. Na een eerdere afwijzing en een ongegrond verklaard beroep, verzocht appellant in 2016 om herziening van deze beslissing op basis van nieuwe feiten.
De Pensioen- en Uitkeringsraad handhaafde de afwijzing omdat de nieuwe feiten geen aanleiding gaven tot herziening. De Raad oordeelt dat niet is gebleken dat appellant onder levensbedreigende omstandigheden is geëvacueerd of direct betrokken was bij beschietingen of excessief geweld. Hoewel appellant aanwezig was bij mishandeling van zijn neef, kwalificeert dit niet als oorlogsgeweld volgens de Wubo.
De Raad benadrukt dat de criteria van de Algemene Oorlogsgevallenregeling (AOR) ruimer zijn dan die van de Wubo en dat verschillen in oorlogsomstandigheden tussen appellant en zijn neven het beroep op sibling-equality niet rechtvaardigen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de Wubo-aanvraag wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feiten die oorlogsgeweld aannemelijk maken.