ECLI:NL:CRVB:2019:1216
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 wegens ontbreken directe betrokkenheid
Appellant, geboren in 1939, verzocht meerdere malen om toekenning van uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Zijn verzoeken werden steeds afgewezen omdat niet was komen vast te staan dat hij persoonlijk direct betrokken was bij oorlogsgeweld zoals vereist door de wet.
In 2017 diende appellant een herzieningsverzoek in, dat opnieuw werd afgewezen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze afwijzing omdat appellant geen nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die een andere beoordeling rechtvaardigen. De aanvullende verklaringen, waaronder die van familieleden en een huisarts, overtuigen niet van directe betrokkenheid bij mishandeling of levensbedreigende situaties.
De Raad benadrukt dat het feit dat appellant als oorlogsslachtoffer is erkend onder de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) niet automatisch leidt tot toekenning onder de Wubo, omdat de criteria van de Wubo strenger zijn. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere besluiten blijven in stand.
Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt afgewezen wegens ontbreken van bewijs van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.