ECLI:NL:CRVB:2017:3994
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- J.H.M. van de Ven
- M. Schoneveld
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering toeslag bijstand wegens inwonende zoon niet gerechtvaardigd
Appellant ontving bijstand met een toeslag van 20% wegens alleenstaand zijn. Het college verlaagde deze toeslag naar 10% en vorderde kosten terug omdat een meerderjarige zoon van appellant sinds 15 november 2012 in de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven op hetzelfde adres.
Appellant voerde aan dat zijn zoon niet feitelijk op het uitkeringsadres woonde en dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan. De Raad oordeelde dat het college zich niet uitsluitend op de inschrijving in de BRP mocht baseren, maar concrete feiten en omstandigheden had moeten onderzoeken.
De Raad vernietigde de bestreden besluiten en herroept de primaire besluiten, omdat het college niet aannemelijk had gemaakt dat de zoon zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De Raad vernietigt de besluiten tot verlaging en terugvordering van de toeslag omdat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de zoon van appellant op het uitkeringsadres woonde.