ECLI:NL:CRVB:2021:2753
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-woonachtig op opgegeven adres
Appellant ontving vanaf september 2017 bijstand en gaf op dat hij woonde op het uitkeringsadres. Naar aanleiding van een melding dat appellant sinds augustus 2018 niet meer op dat adres woonde, voerde de gemeente Rotterdam een onderzoek uit, waaronder een huisbezoek en gesprekken met de eigenaar van de woning.
De woning was afgesloten van gas en elektriciteit, en tijdens het huisbezoek werden tegenstrijdigheden vastgesteld tussen de verklaringen van appellant en de feitelijke situatie, zoals het ontbreken van een tweepersoonsbed en minimale aanwezigheid van persoonlijke spullen. De eigenaar verklaarde dat appellant niet op het adres woonde en dat documenten met zijn handtekening vals waren.
Het college trok de bijstand per 20 december 2017 in en vorderde €8.398,42 terug wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college voldoende bewijs heeft geleverd dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde en bevestigt het bestreden besluit.
Appellant kon geen sluitende verklaring geven voor de tegenstrijdigheden en voerde geen nieuwe gronden aan tegen de terugvordering. De Raad bevestigt de uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd omdat appellant niet op het opgegeven uitkeringsadres woonde en zijn inlichtingenverplichting schond.