ECLI:NL:CRVB:2017:3998
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.F. Claessens
- M. Hillen
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bijschrijvingen op bankrekening worden in mindering gebracht op bijstand wegens ontbreken bewijs van terugbetaling
Betrokkene, een alleenstaande moeder met twee kinderen, ontving tot juni 2014 een WW-uitkering en vroeg in januari 2015 bijstand aan op grond van de Participatiewet. Op haar bankrekening werden wekelijks salarisbetalingen van haar ex-partner gestort, terwijl zij verklaarde dat dit geld niet haar inkomen was maar dat van haar ex-partner die financiële problemen had.
De gemeente Rotterdam bracht deze bijschrijvingen in mindering op haar bijstand, omdat betrokkene niet aannemelijk had gemaakt dat zij deze bedragen niet kon gebruiken. De rechtbank Rotterdam vernietigde dit besluit en oordeelde dat betrokkene aannemelijk had gemaakt dat zij het geld slechts beheerde voor haar ex-partner en dat zij het merendeel van de bedragen contant aan hem gaf.
In hoger beroep stelde het college dat betrokkene niet voldeed aan haar bewijslast, omdat een terugbetalingsregeling ontbrak en opnamebedragen niet overeenkwamen met de bijschrijvingen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat betrokkene onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij niet over de bijschrijvingen kon beschikken en dat de bankafschriften en overzichten niet overtuigend waren. Daarom was het terecht dat de gemeente de bijschrijvingen als inkomen aanmerkte en op de bijstand in mindering bracht. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van het college ongegrond verklaard.
Uitkomst: De bijschrijvingen op de bankrekening worden terecht in mindering gebracht op de bijstand omdat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet over deze gelden kon beschikken.