ECLI:NL:CRVB:2017:4007
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende gemotiveerde beslissing over duurzame arbeidsongeschiktheid volgens Wet WIA
Appellante, voormalig filiaalmanager, meldde zich ziek met pijnklachten en werd door het UWV als volledig arbeidsongeschikt maar niet duurzaam arbeidsongeschikt beoordeeld, waardoor zij een WGA-uitkering ontving. Zij maakte bezwaar en voerde aan recht te hebben op een IVA-uitkering wegens duurzame arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep handhaafde de prognose dat verbetering mogelijk was, onder meer vanwege mogelijke behandeling van vitamine D-tekort en psychosomatische fysiotherapie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de prognose juist. In hoger beroep herhaalde appellante haar stelling dat de prognose onvoldoende concreet en gemotiveerd was. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het UWV-besluit onvoldoende was gemotiveerd, met name omdat de medische onderbouwing van de kans op verbetering niet voldoende was toegespitst op haar situatie en de behandelmogelijkheden niet adequaat waren onderbouwd.
De Raad concludeerde dat het besluit niet zorgvuldig was voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, en droeg het UWV op binnen acht weken het gebrek te herstellen. Hiermee wordt het belang van een concrete, individuele en goed onderbouwde medische prognose bij de beoordeling van duurzame arbeidsongeschiktheid benadrukt.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit over de duurzame arbeidsongeschiktheid binnen acht weken te herstellen wegens onvoldoende motivering.