Uitspraak
21 november 2016, 16/710 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was per 6 oktober 2014 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering op grond van het oude WW-recht met een vastgesteld dagloon en maximale uitkeringsduur tot 13 februari 2018. Later werd appellant per 30 september 2015 ook in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering onder het nieuwe WW-recht met een lager dagloon en langere maximale uitkeringsduur.
Het geschil betrof de hoogte van het dagloon van het nieuwe WW-recht en de einddatum van het oude WW-recht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de einddatum van het oude WW-recht vaststaat en onherroepelijk is, en de hoogte van het dagloon van het nieuwe WW-recht niet in geschil was.
In hoger beroep stelde appellant dat het dagloon van het nieuwe WW-recht in strijd is met het loondervings- en verzekeringsprincipe. De Raad overwoog echter dat de aanspraak op een WW-uitkering na afloop van het oude WW-recht een onzekere toekomstige gebeurtenis is, waarvoor geen actueel belang bestaat om het hoger beroep ontvankelijk te verklaren.
Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van actueel belang.