ECLI:NL:CRVB:2017:2295
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken actueel belang bij WW-uitkering
Appellant werkte sinds 1984 bij een werkgever totdat zijn arbeidsovereenkomst in 2013 werd beëindigd. Het UWV kende hem een WW-uitkering toe op basis van het oude WW-recht met een dagloon van €195,96. Later werd een nieuw besluit genomen met een lagere dagloonberekening volgens het nieuwe WW-recht, waarop appellant bezwaar maakte.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het nieuwe dagloon correct was vastgesteld en dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor dagloongarantie. Appellant stelde in hoger beroep dat de berekening onredelijk was vanwege een substantiële inkomensachteruitgang door ziekte tijdens de referteperiode en dat dit onderscheid onrechtvaardig was.
De Raad oordeelde dat het oude WW-recht herleefde tot 31 oktober 2017 en appellant geen bezwaar had tegen dit herleven. Omdat appellant inmiddels werk had aanvaard en het nieuwe WW-recht pas na die datum relevant zou zijn, was er geen actueel belang voor het hoger beroep. Toekomstige situaties zijn onzeker en dienen opnieuw beoordeeld te worden door het UWV. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een voldoende actueel belang.