ECLI:NL:CRVB:2017:4044
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling studiefinanciering prestatiebeurs na invoering Wet studievoorschot hoger onderwijs
Betrokkene begon op 1 februari 2013 aan een hbo-bacheloropleiding en behaalde zijn propedeuse waarna hij overstapte naar een wo-bacheloropleiding. Hij ontving studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).
Appellant wijzigde per 1 februari 2016 de studiefinanciering van prestatiebeurs naar lening. Betrokkene maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de rechtbank werd toegewezen omdat volgens de rechtbank de aanspraak op prestatiebeurs vier jaar zou duren vanaf 1 februari 2013.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat op grond van het overgangsrecht in artikel 12.14 van de Wsf 2000 en de parlementaire geschiedenis de nominale duur van de opleiding drie jaar bedraagt en dat de aanspraak op prestatiebeurs daarom eindigt na drie jaar, dus op 1 februari 2016. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.
De Raad wijst op de memorie van toelichting en de parlementaire geschiedenis waarin is aangegeven dat bij overstap van hbo naar wo-bacheloropleiding in totaal drie jaar aanspraak op basisbeurs bestaat, waarvan het eerste jaar al is verbruikt tijdens de propedeuse. De nieuwe regeling voor de masterfase geldt vanaf 1 september 2015.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en het besluit van 25 april 2016 blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de aanspraak op prestatiebeurs eindigt op 1 februari 2016.