ECLI:NL:CRVB:2017:4058
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering persoonsgebonden budget wegens onjuiste verantwoording
Appellante ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor de periode januari tot en met september 2014. Het Zorgkantoor stelde het pgb later vast op nihil en vorderde het volledige bedrag van €8.065,10 terug wegens onjuiste verantwoording van de besteding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de verantwoordelijkheid voor de correcte besteding en verantwoording van het pgb bij de budgethouder ligt, ook als het beheer is uitbesteed aan een derde. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij slachtoffer was van fraude door haar zorgverleenster en dat dit niet voldoende was meegewogen.
De Raad oordeelde dat het besluit van het Zorgkantoor als vaststellings- en terugvorderingsbesluit kwalificeert en dat de brief van de staatssecretaris over bescherming van te goeder trouw zijnde budgethouders niet relevant is voor de toetsing van dit besluit, maar voor de invordering.
De Raad bevestigde dat appellante niet voldeed aan de pgb-verplichtingen en dat het Zorgkantoor terecht zijn discretionaire bevoegdheid heeft uitgeoefend met een evenredige belangenafweging. De fraude door de zorgverleenster komt voor rekening en risico van appellante.
Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het pgb wordt terecht op nihil vastgesteld met terugvordering van €8.065,10.