ECLI:NL:CRVB:2017:4132
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.F. Claessens
- M. Hillen
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding ondanks kostgangersrelatie
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, maar het college trok deze in wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met Z vanaf september 2013. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna de Centrale Raad van Beroep het besluit van het college bevestigde.
De Raad oordeelde dat appellante en Z hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en dat er sprake was van wederzijdse zorg, onder meer omdat appellante haar bankrekening ter beschikking stelde en schulden van Z betaalde, terwijl Z haar woning kosteloos ter beschikking stelde. Dit ging verder dan een zakelijke kostgangersrelatie.
Ook in hoger beroep werd bevestigd dat appellante in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag als gehuwd moest worden aangemerkt, waardoor zij geen zelfstandig recht op bijstand had. Het beroep en hoger beroep werden ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het beroep en hoger beroep van appellante worden ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.