ECLI:NL:CRVB:2017:4235
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van medisch onderzoek en geschiktheid functies bij WIA-uitkering
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV dat hij geen recht had op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid per 15 september 2014. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren voor een concentratiestoornis of andere beperkingen die niet waren meegewogen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn rugklachten en bijkomende buikklachten onvoldoende waren meegewogen, evenals zijn psychische klachten en medicijngebruik. Hij overhandigde aanvullende medische documenten ter onderbouwing. Het UWV handhaafde haar standpunt dat de medische beoordeling correct was en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) niet hoefde te worden aangepast.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de aanvullende medische informatie geen aanleiding gaf tot bijstelling van de FML. De Raad oordeelde dat met medicatie, rugklachten en psychische klachten voldoende rekening was gehouden en dat de geselecteerde functies passend waren. Het verzoek tot vergoeding van gederfde wettelijke rente werd afgewezen omdat het besluit in stand bleef.
De Raad wees ook het verzoek tot vergoeding van proceskosten af. De uitspraak bevestigt het belang van een gedegen en goed gemotiveerde medische beoordeling bij WIA-uitkeringen en benadrukt dat aanvullende klachten die na de datum van beoordeling zijn ontstaan niet relevant zijn voor het besluit op die datum.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV-besluit blijft in stand.