ECLI:NL:CRVB:2017:424
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek schadevergoeding bij opschorting bijstand zonder procesbelang
Appellant, een bijstandsgerechtigde, werd door het college van burgemeester en wethouders van Breda verzocht om bankafschriften te overleggen. Na gedeeltelijke aanlevering werd de bijstand opgeschort, maar deze opschorting werd later ongedaan gemaakt en de bijstand over de betreffende maand alsnog betaald.
Het college verklaarde het bezwaar van appellant tegen de ongedaanmaking van de opschorting niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang en wees het verzoek om schadevergoeding af. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat de opschorting geen effect had gehad op de uitbetaling van de bijstand, waardoor appellant geen belang had bij het bezwaar.
In hoger beroep stelde appellant dat het college onrechtmatig had gehandeld door de bijstand zonder nadere termijn op te schorten en dat dit leidde tot onnodige stress, waarvoor hij een schadevergoeding van € 200.000,- vorderde. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat het college onrechtmatig had gehandeld of dat het verzoek om gegevens onduidelijk was. Ook was geen verband aangetoond tussen de ervaren stress en een onrechtmatig besluit.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen aanleiding gezien voor veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.