Appellant, met beperkingen bij huishoudelijke taken, kreeg op grond van de Wmo 2007 hulp bij het huishouden toegekend. Het college besloot dat vanaf 1 april 2015 deze hulp als algemene voorziening zou worden verstrekt en niet langer als maatwerkvoorziening. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar trok dit bezwaar later in, mede op basis van informatie van een medewerker van het college die stelde dat de hulp zou worden voortgezet zoals voorheen.
Later bleek dat appellant minder uren hulp kreeg dan verwacht, waardoor hij de intrekking van het bezwaar wilde herroepen. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat appellant geen dwaling aannemelijk had gemaakt. De rechtbank bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep oordeelde de Centrale Raad dat appellant door onduidelijke informatie van het college in een situatie van dwaling verkeerde, waardoor de intrekking van het bezwaar niet geldig was. Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd. Het college werd opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen, waarbij appellant de gelegenheid krijgt zijn gronden aan te vullen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten.