ECLI:NL:CRVB:2014:2975
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- J.F. Bandringa
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van hoger beroep wegens rechtsgeldige intrekking door appellante
Appellante, met de Bulgaarse nationaliteit, en haar minderjarige zoon hebben hoger beroep ingesteld tegen een besluit van het dagelijks bestuur van Werk en Inkomen Lekstroom dat hen bijstand weigerde. Het bestreden besluit was eerder door de rechtbank Utrecht vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of appellante het hoger beroep rechtsgeldig had ingetrokken met een brief van 17 december 2013. Appellante betwistte dit en stelde dat zij onder dwaling en misbruik van omstandigheden haar handtekening had gezet, mede vanwege taalbarrières en niet nagekomen beloften door het dagelijks bestuur.
De Raad oordeelde dat de intrekking rechtsgeldig was, omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van dwaling, bedreiging of bedrog. Zij werd tijdens het gesprek bijgestaan en begreep de gevolgen van haar handtekening. De gemachtigde van appellante was niet betrokken bij de intrekking, maar dit deed niet af aan de geldigheid ervan. De nadien ingediende stukken worden doorgezonden naar de rechtbank als nieuw beroepschrift.
De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens rechtsgeldige intrekking door appellante.