Appellant had zich ziek gemeld per 1 februari 2010 met onder meer psychische klachten. Het UWV stelde op 10 januari 2011 vast dat appellant per 12 januari 2011 geschikt was voor zijn maatgevende arbeid en weigerde ziekengeld. Appellant verzocht later om herziening en een WIA-uitkering, maar het UWV weigerde deze omdat de wachttijd van 104 weken niet was vervuld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij duurzaam arbeidsongeschikt was op basis van een psychodiagnostisch onderzoek en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn epilepsie en rugklachten. Ook stelde hij dat het UWV had moeten vaststellen of er passende arbeid was via een Functionele Mogelijkhedenlijst.
De Raad oordeelde dat de wachttijd van 104 weken een zelfstandige beoordeling vereist en dat de hersteldverklaring van 12 januari 2011 niet doorslaggevend is. Het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat appellant op die datum volledig belastbaar was voor zijn maatgevende arbeid. De medische gegevens en klachten bleken geen belemmering voor deze arbeid. Het UWV hoefde geen Functionele Mogelijkhedenlijst op te stellen.
Omdat de aanvullende motivering in hoger beroep het standpunt van het UWV voldoende onderbouwde, werd het beroep afgewezen. De Raad veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant en wees het verzoek om wettelijke rente af.