ECLI:NL:CRVB:2017:4313

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 december 2017
Publicatiedatum
15 december 2017
Zaaknummer
15/8180 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 lid 4 ANWArt. 6:19 lid 1 AwbArt. 6:24 lid 1 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling ingangsdatum ANW-uitkering en terugwerkende kracht

In deze zaak staat de vaststelling van de ingangsdatum van een ANW-uitkering centraal. De Raad heeft eerder een tussenuitspraak gedaan waarin werd geoordeeld dat de oorspronkelijke beslissing op bezwaar een gebrek vertoonde omdat de Sociale verzekeringsbank (Svb) niet had onderkend dat sprake was van een bijzonder geval voor terugwerkende kracht. De Svb heeft daarop de ingangsdatum van de uitkering gewijzigd naar 1 september 2009 en wettelijke rente toegekend.

Appellante stelde dat de terugwerkende kracht verder had moeten gaan dan deze datum. De Raad oordeelt dat slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden afgeweken van een tussenuitspraak zonder voorbehoud en dat in dit geval geen bijzonder geval is gebleken. De argumenten van appellante waren reeds bekend bij de tussenuitspraak en hebben mede geleid tot de vastgestelde ingangsdatum.

De Raad verklaart het beroep tegen het oorspronkelijke besluit van 12 december 2014 gegrond en vernietigt dat besluit, maar verklaart het beroep tegen de latere besluiten van 24 augustus en 12 september 2017 ongegrond. Tevens veroordeelt de Raad de Svb in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: De ingangsdatum van de ANW-uitkering wordt vastgesteld op 1 september 2009 en het beroep tegen latere besluiten wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

15/8180 ANW, 17/6499 ANW, 17/6753 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
3 november 2015, 15/275 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats], Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 15 december 2017
PROCESVERLOOP
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 19 mei 2017 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2017:1978, gedaan (tussenuitspraak).
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de Svb op 24 augustus 2017 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Verder heeft de Svb op 12 september 2017 een besluit over de wettelijke rente genomen.
Bij brief van 14 september 2017 heeft appellante haar zienswijze naar voren gebracht.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij voegt daar het volgende aan toe.
1.2.
Bij de tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat de beslissing op bezwaar van
12 december 2014 een gebrek vertoont nu de Svb niet heeft onderkend dat er sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 33, vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Ten behoeve van de verdere besluitvorming is het volgende overwogen:
“Voor de beoordeling van de mate van terugwerkende kracht die op zijn plaats zou zijn, kan worden meegewogen dat ook aan de zijde van appellante niet steeds adequaat is gereageerd. Zo waren de stukken over de verzekering van haar echtgenoot al sinds 2005 in haar bezit. Pas in 2013 zijn deze aan de Svb voorgelegd om aan te tonen dat appellantes echtgenoot verzekerd was. Mocht de Svb tot het oordeel komen dat een verdergaande terugwerkende kracht aan de orde is, dan zou kunnen worden volstaan met toekenning van de
ANW-uitkering per 1 september 2009.”
1.3.
De Svb heeft bij besluit van 24 augustus 2017 de ingangsdatum van de ANW-uitkering alsnog gesteld op 1 september 2009. Bij besluit van 12 september 2017 heeft de Svb in verband met de gewijzigde ingangsdatum wettelijke rente aan appellante toegekend.
1.4.
Appellante heeft in haar zienswijze aangevoerd dat haar ANW-uitkering met een verdergaande terugwerkende kracht had moeten worden verleend.
2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
2.1.
Met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 24 augustus 2017 en het besluit van
12 september 2017 is niet volledig aan het beroep van appellante tegemoet gekomen. Deze besluiten worden daarom met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de beoordeling betrokken.
2.2.
In de tussenuitspraak is zonder voorbehoud overwogen dat de Svb, indien tot het oordeel wordt gekomen dat een verdergaande terugwerkende kracht aan de orde is, zou kunnen volstaan met toekenning van de ANW-uitkering per 1 september 2009. Slechts in uitzonderlijke gevallen mag worden teruggekomen van een in een tussenuitspraak zonder voorbehoud gegeven oordeel (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 2 november 2012, ECLI:CRVB:2012:BY2116). Van een dergelijk bijzonder geval is geen sprake. De argumenten die appellante in de zienswijze naar voren heeft gebracht waren al bekend ten tijde van de tussenuitspraak en hebben mede geleid tot de genoemde ingangsdatum van
1 september 2009. Dit betekent dat met het besluit van 24 augustus 2017 het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld.
2.3.
Met betrekking tot het besluit van 12 september 2017 wordt vastgesteld dat appellante daartegen geen zelfstandige gronden heeft aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat het besluit van 12 september 2017 een gebrek vertoont.
2.4.
Geconcludeerd wordt dat het tegen de besluiten van 24 augustus 2017 en 12 september 2017 gericht geachte beroep ongegrond is.
3. Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en € 1.237,50 in hoger beroep, inclusief de zienswijze, voor verleende bijstand, in totaal € 2.227,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 12 december 2014 gegrond en vernietigt dat
  • verklaart het beroep tegen de besluiten van 24 augustus 2017 en 12 september 2017
  • veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.227,50;
  • bepaalt dat de Svb het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van
J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2017.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) J.W.L. van der Loo

IJ