ECLI:NL:CRVB:2017:4409
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing recht op ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante was werkzaam als leerling verzorgende IG en meldde zich ziek met klachten aan het bewegingsapparaat en vermoeidheid. Na beëindiging van haar dienstverband vroeg zij ziekengeld aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen, en beëindigde het ziekengeld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) juist was vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen, met name vermoeidheid, niet voldoende waren meegewogen, en verwees naar wetenschappelijke rapporten en testuitslagen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de FML juist was vastgesteld en dat de medische beperkingen van appellante niet zodanig waren dat de geselecteerde functies ongeschikt waren. Ook het argument dat een functie vanwege het hoge handelingstempo ongeschikt zou zijn, werd verworpen omdat andere functies voldoende verdiencapaciteit boden.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.