ECLI:NL:CRVB:2017:4486
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering IVA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek door UWV
Appellant, die zich in 2012 ziek meldde, kreeg in 2014 een WIA-uitkering toegekend wegens 60,47% arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar en beroep werd het maatmaninkomen en dagloon aangepast, maar de mate van arbeidsongeschiktheid bleef ongewijzigd. De rechtbank vernietigde de eerdere besluiten vanwege een fout in de loonberekening, waarna het UWV dit corrigeerde.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen onvoldoende waren meegewogen en dat hij slechts tien uur per week zou kunnen werken, waardoor de geselecteerde functies niet passend zouden zijn. Tevens voerde hij aan dat hij al in 2014 recht had op een IVA-uitkering, zoals vastgesteld in 2016.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek door het UWV zorgvuldig was uitgevoerd, met inachtneming van lichamelijke en psychische aspecten en beschikbare behandelgegevens. De Raad onderschreef de conclusies van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige, die overtuigend hadden aangetoond dat de geselecteerde functies de belastbaarheid niet overschreden.
De Raad zag geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te wijzigen en wees het hoger beroep af. Er werd ook geen reden gezien voor een veroordeling van het UWV in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de IVA-uitkering en wijst het hoger beroep af.