Uitspraak
2 oktober 2015, 15/214 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf 1989 tot 2005 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid gerelateerd aan een verkeersongeval en andere incidenten. Na beëindiging van deze uitkering in 2005 wegens herstel, meldde appellant in 2013 een verslechtering van zijn gezondheid en verzocht hij om hernieuwde toekenning van een WAO-uitkering.
Het UWV verrichtte een onderzoek waarbij een verzekeringsarts concludeerde dat er geen toename was van beperkingen die verband hielden met de oorspronkelijke ziekteoorzaak. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard door het UWV en de rechtbank, die oordeelden dat het onderzoek zorgvuldig was en dat er geen bewijs was voor toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak.
In hoger beroep voerde appellant aan dat psychische klachten uit het verleden niet waren meegenomen en dat er een verband bestond tussen zijn nieuwe klachten en eerdere fracturen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, dat er geen aanwijzingen waren voor een verband tussen nieuwe klachten en eerdere beperkingen, en dat het ontbreken van bepaalde psychische gegevens niet tot een ander oordeel leidt.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en het verzoek tot vergoeding van schade eveneens. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot toekenning van een WAO-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak.