Uitspraak
15 september 2015, 14/6553 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen vanwege het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, maakte bezwaar tegen de voorwaarden waaronder opvang werd geboden in Amsterdam. Het college wees de aanvraag om opvang op grond van de Wmo af en handhaafde deze weigering bij besluit op bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat het college geen dwangsommen verschuldigd was. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat appellant vanaf eind november 2013 geen recht had op opvang op grond van de Wmo en dat de tijdelijke opvang die hij wel ontving onverplicht was.
De Raad verwierp het beroep van appellant dat hij recht had op een uitkering of leefgeld en dat het college dwangsommen verschuldigd was wegens het niet tijdig nemen van besluiten. De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees de vordering af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van opvang en wijst het hoger beroep af.