ECLI:NL:CRVB:2017:4512
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- D. Hardonk-Prins
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens niet meewerken medisch onderzoek
Appellant A meldde zich ziek met psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV achtte een klinische observatie noodzakelijk om de aard en omvang van zijn arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Appellant A weigerde echter mee te werken aan deze opname, onder meer omdat zijn echtgenote niet aanwezig mocht zijn.
Het UWV stopte daarom de uitkering en verklaarde de aanspraak op WIA-uitkering buiten aanmerking te laten op grond van artikel 46a Wet WIA. De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat appellant A zonder goede reden niet meewerkte aan het onderzoek.
In hoger beroep stelde appellant A dat het onderzoek onterecht was en dat het UWV vooringenomen was in de keuze van de psychiater. Ook voerde hij aan dat hij mentaal en fysiek niet in staat was tot opname in het ziekenhuis. De Raad verwierp deze bezwaren, oordeelde dat er voldoende medische informatie was en dat het niet meewerken verwijtbaar was. Het hoger beroep van appellant B werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WIA-uitkering wegens verwijtbaar niet meewerken aan medisch onderzoek.