Betrokkene werd op 14 juli 2010 arbeidsongeschikt verklaard en kreeg een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Na een herbeoordeling per 11 april 2014 werd betrokkene uitgenodigd voor een spreekuur bij de verzekeringsarts, maar zij verscheen niet op de afspraken, waaronder een herbeoordelingsgesprek op 10 juni 2014.
Appellant, het UWV, schortte daarop de uitkering op en trok deze later in, inclusief een toeslag op grond van de Toeslagenwet, vanwege het niet nakomen van de verplichtingen om mee te werken aan het onderzoek. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene tegen deze besluiten gegrond en vernietigde de besluiten, waarbij zij oordeelde dat een huisbezoek of telefonisch onderhoud mogelijk was gezien de medische situatie van betrokkene.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat er geen medische gronden zijn om te veronderstellen dat betrokkene niet kon verschijnen en dat zij daarmee haar verplichtingen heeft geschonden. De Raad vernietigt de uitspraken van de rechtbank, verklaart het beroep tegen de intrekking van de uitkering ongegrond en het beroep tegen de schorsing niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.
De Raad benadrukt de wettelijke verplichting van verzekerden om mee te werken aan medische beoordelingen en bevestigt de rechtmatigheid van het besluit tot intrekking van de uitkering bij weigering daaraan te voldoen.