ECLI:NL:CRVB:2017:479
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens vermeende onbekende inkomsten niet gerechtvaardigd
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) nadat zijn WW-uitkering was beëindigd. Het college weigerde aanvankelijk bijstand vanwege een te hoog vermogen, maar verleende deze later nadat het vermogen was opgebruikt. Na een signaal van de Belastingdienst ontdekte het college een onbekende bankrekening en trok de bijstand in, met terugvordering van kosten en oplegging van een bestuurlijke boete wegens schending van de inlichtingenplicht.
De Raad beoordeelde dat appellant plausibel had verklaard dat hij leefde van een eerder opgenomen bedrag en het pensioen van zijn overleden moeder, en dat het sobere uitgavenpatroon verklaarbaar was. Er waren geen concrete aanwijzingen dat appellant naast de bijstand andere inkomsten had genoten. Het college had nagelaten nader onderzoek te verrichten naar een mogelijke onbekende inkomstenbron.
Daarom oordeelde de Raad dat het besluit tot intrekking en terugvordering niet zorgvuldig was voorbereid en niet deugdelijke motivering bevatte. Ook de boete was op dezelfde onjuiste grondslag gebaseerd. De Raad vernietigde de bestreden besluiten, herroept de eerdere besluiten en veroordeelde het college in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de besluiten tot intrekking en boete worden vernietigd en herroepen.