ECLI:NL:CRVB:2015:3174
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving vanaf 14 augustus 2012 aanvullende bijstand. De Dienst Werk en Inkomen (DWI) voerde een onderzoek uit naar de rechtmatigheid van de bijstand en constateerde dat appellant onvoldoende inzage gaf in zijn financiële situatie, onder meer door het niet overleggen van volledige bankafschriften en administratie van inkomsten zoals leningen en vergoedingen voor autoritten.
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bijstand met ingang van 1 september 2012 in en vorderde de kosten van bijstand terug over de periode van 1 september 2012 tot en met 31 mei 2013. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat zijn verklaring onjuist was opgetekend, dat hij geen betaalde autoritten verrichtte en dat leningen geen inkomsten zijn.
De Raad oordeelde dat de verklaring van appellant op 22 mei 2013 juist en consistent was en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt hoe hij in zijn levensonderhoud voorzag. Leningen worden volgens de WWB als middelen aangemerkt en kunnen als inkomen worden beschouwd. Appellant had de op hem rustende inlichtingenverplichting niet nageleefd, waardoor het college bevoegd was de bijstand in te trekken. Het beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien werd niet behandeld omdat dit niet in eerdere procedurefasen was aangevoerd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd wegens onvoldoende inzage in financiële situatie.