Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, diende op 2 mei 2014 een aanvraag in voor maatschappelijke opvang bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het college besloot op 7 augustus 2014 deze aanvraag af te wijzen. Betrokkene stelde het college in gebreke vanwege het niet tijdig beslissen en diende meerdere beroepen in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep niet tijdig 1 niet-ontvankelijk en oordeelde in een andere procedure dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang, waarbij het college een dwangsom werd opgelegd. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank ten onrechte tweemaal uitspraak deed over hetzelfde beroep en dat het college niet bevoegd was het bestreden besluit te nemen. De rechtbank was daardoor ook niet bevoegd te oordelen over dit besluit en had het direct naar de Raad moeten doorsturen. Daarom vernietigt de Raad zowel de uitspraak van de rechtbank als het bestreden besluit van het college. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.