ECLI:NL:CRVB:2017:571
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant meldde zich ziek in november 2007 en het UWV stelde vast dat hij vanaf november 2009 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op WIA-uitkering bestond. In 2013 meldde appellant een toename van arbeidsongeschiktheid, maar het UWV concludeerde na onderzoek dat er geen recht op uitkering was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit gegrond, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Appellant stelde vervolgens een verslechtering van zijn gezondheid vast vanaf februari/maart 2014, maar het UWV en verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerden dat er geen toegenomen beperkingen waren die voortkwamen uit dezelfde ziekteoorzaak.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de FML van oktober 2013 als uitgangspunt kon dienen. Er was geen noodzaak voor arbeidskundig onderzoek omdat geen toename van beperkingen uit dezelfde oorzaak was vastgesteld. In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen waren toegenomen, onder meer door psychische klachten en fysieke beperkingen, maar de Raad concludeerde dat er geen objectieve medische grond was voor toegenomen psychische beperkingen en dat de beperkingen niet waren toegenomen ten opzichte van de situatie in 2009.
De Raad overwoog dat het UWV voldoende gegevens had aangeleverd om het ontbreken van een oorzakelijk verband tussen de eerdere en latere arbeidsongeschiktheid aan te tonen. Daarom werd het hoger beroep van appellant ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak.